Omgaan met verslaving: tussen hoofd en buik in

Anoniem chatten
8 februari 2021

Systeemtherapeuten bij VNN hebben dagelijks te maken met mensen met een verslaving en hun omgeving, of hun ‘systeem’. Verslaving raakt namelijk meer dan alleen degene met de verslaving. Onze therapeuten behandelen daarom óók partners, ouders en kinderen. Arend Jan Talens vertelt wat hem zo raakt als het gaat om ouders van kinderen met een verslaving.

“Dat is de eeuwigdurende strijd tussen het hoofd- en buikgevoel van ouders. De strijd tussen weten wat een gebruiker nodig heeft om tot motivatie voor verandering te komen en het ouderschaps-gevoel dat roept om koste wat kost altijd je kind te willen beschermen.

Als we eens beginnen bij het weten. Om gedrag te veranderen geldt altijd het zelfde: de nadelen moeten groter worden dan de voordelen. Wanneer kiest een roker om te stoppen? Omdat het toch wel erg veel geld kost, de conditie minder wordt, de zorg over hoesten toeneemt, de kinderen smeken om te stoppen, etc. Wanneer gaan mensen minder eten of meer sporten? Als de broek niet meer past, als lichamelijke klachten toe nemen, als een partner te vaak zeurt over het buikje, etc. Kortom, om tot verandering te komen, moet ons lastenpakket toenemen, moet het water ons tot de lippen komen.

Instinct

Als we dan kijken naar het ouderschapsgevoel: vanaf het moment dat ons kind geboren is, wordt er een appèl op ons gedaan: we gaan voor het kind zorgen. Zodra een baby huilt, gaan we het checklijstje af (honger, vieze luier, pijn, schrik) en willen we het oplossen. Dit appèl verandert wel in de loop der tijd, maar de essentie niet: als ons kind geplaagd wordt op school en je ziet het lijden, kom je in actie. Als ons kind zelf kinderen krijgt, passen we op of ondersteunen we waar maar kan. Elke ouder weet dat hij steeds bezig is met loslaten (geen ouder brengt zijn puber nog achter op de fiets naar het middelbaar onderwijs en brengt het de klas in) en dat doen we met een gezonde dosis bezorgdheid en met een lach en een traan. Ietwat bezorgd of het zich redt, maar ook trots dat het op kamers gaat en gaat studeren, en een beetje verdrietig dat het dus het huis verlaat.

Een kind dat gebruikt of worstelt met een verslaving zet een ouder op scherp: het doet immers dingen die ongezond of gevaarlijk kunnen zijn. Je kind vertoont destructief gedrag en je hebt geen kind gekregen om met de handen in de zakken te gaan kijken hoe het naar de verdoemenis gaat. Althans dat roept je ouderschapsgevoel. Dus je gaat redden: boetes betalen om te voorkomen dat het een strafblad krijgt, geld geven om te voorkomen dat een dealer hem in elkaar slaat, eten geven om te voorkomen dat hij verhongert. 

Wat te doen als ouder?

Maar als de ouder elke keer de nadelen voor het kind wegpoetst, is het maar de vraag of de motivatie voor verandering ontstaat. Als de ouder steeds het stijgende water weg laat lopen, komt het misschien niet tot de lippen. Ik hoor ouders vaak zeggen:

“Ja, het is mijn eigen schuld dat ‘ie door gaat met gebruik”

“Ja, ik moet veel harder zijn”

“Ja, ik moet hem in de stront laten zakken”.

Ik houd veel ouders voor dit niet te doen.

Nee, het is niet de schuld van de ouder. Elke dag kan het kind zeggen: nu is het klaar, ik wil het anders.

Nee, je moet niet “harder” zijn. Als je ‘s avonds  inbed ligt en denkt ‘vandaag ben ik mooi hard tegen mijn kind geweest’ slaap je denk ik niet zo lekker. Misschien heb je een betere nachtrust als je denkt: ‘vandaag ben ik weer duidelijk, voorspelbaar en consequent naar mijn kind geweest’.

Nee, je moet je kind niet in de stront laten zakken. Misschien moet je hem of haar wel gunnen om de consequenties van de eigen keuzes volledig te mogen ervaren.

Ouders moeten uiteindelijk zelf hun eigen gedrag verantwoorden. De meeste ouders zijn daarin veel te streng voor zichzelf, en hiermee zitten we middenin die strijd tussen weten en voelen. Snappen wat eigenlijk nodig is voor je kind om tot verandering te komen en het ouderschapsgevoel dat niet toelaat om je kind te zien lijden. Deze strijd raakt me oprecht altijd weer en deze snap ik ontzettend goed omdat ik ook vader ben.

Ouders staan er niet alleen voor

Ik en mijn collega’s kunnen dit ook niet oplossen. Wat we wel kunnen is daarin helpen en ondersteunen, onder andere via onze oudergroepen die op verschillende plekken bij VNN worden aangeboden. Ook kunnen ouders altijd terecht voor een adviesgesprek bij de afdeling Preventie of kan er ondersteuning bij de systeemtherapeuten gevraagd worden.

Hulp gun ik alle ouders, want het is een onmenselijke strijd waarin de woorden ‘loslaten’ en ‘verbondenheid’ grote betekenis hebben.”

Over de auteur

Arend Jan Talens

Arend Jan Talens werkt sinds 2002 als systeemtherapeut bij VNN. Dat betekent dat hij niet met individuen praat over hun gebruik, maar over wat er tussen mensen afspeelt. Hij spreekt echtparen, ouders, kinderen, gezinnen, families en andere naasten. Begonnen in de Jeugdhulpverlening, heeft hij zich altijd veel beziggehouden met ouderschap, vandaar zijn specialisme.
Meer over Arend Jan Talens