“De verslavingszorg gaat om veel meer dan de verslaving alleen”

Anoniem chatten
1 maart 2021

Op verslaving en verslavingszorg heerst nog steeds een stigma. Verslaving zou het resultaat zijn van verkeerde keuzes, niet van trauma, psychische stoornissen of omgeving. Werken in de verslavingszorg zou eentonig en ondankbaar zijn. VNN-psycholoog Barbara Pais deelt in een interview haar visie.

‘Boeiend en prettig gestoord’. Dat was de psycholoog die Barbara Pais op haar 16e interviewde voor een schoolopdracht. Op dat moment wist ze het: ze wilde psycholoog worden. “Psychologie draait om ‘waarom mensen doen zoals ze doen’. Wat drijft ze? Elke keer weer merk ik dat iedereen maar mens is en iedereen weleens gek kan doen. We zijn allemaal uniek, maar toch gelijk. Iedereen leeft volgens bepaalde patronen. Hoe die patronen zich uiten in gedrag, is ook per geval weer anders. Dat maakt dit vak zo mooi.” 

Barbara studeerde psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). Daarna werkte ze 17 jaar voor een private instelling in de reguliere ggz. In 2019 was ze toe aan een nieuwe stap. Inmiddels werkt ze bijna twee jaar als GZ-psycholoog bij FACT-teams 1 en 2 van VNN in de stad Groningen. Barbara: “Het was een P&O-adviseur die voorstelde dat ik een kijkje ging nemen bij een FACT-team. Ik had geen flauw idee wat FACT-teams precies waren, maar ik was wel nieuwsgierig en besloot een dag mee te draaien. Ik was overweldigd door het enthousiasme van het team. Ook voelde ik me meteen begrepen. Ik dacht hetzelfde over de zorg als deze mensen.”

Bij mensen over de vloer

Mensen die hulp krijgen van een FACT-team hebben over het algemeen te maken met vrij heftige verslaving. FACT-medewerkers komen, als dit nodig is, bij deze mensen thuis om hen te helpen middelengebruik tegen te gaan, maar ook te helpen op andere levensgebieden, zoals dagbesteding, relaties en reclassering. In FACT-teams werken verschillende disciplines samen, met elk een eigen deskundige inbreng in de behandeling. Dit maakt het mogelijk om de problematiek op meerdere gebieden aan te pakken.

“Bij onze cliënten is er altijd meer aan de hand dan alleen een verslaving. Die onderliggende problematiek maakt het vak zo boeiend. Elke case is anders en complexer dan het lijkt. In vrijwel alle gevallen bemoeilijkt middelengebruik de therapie.” Toch zijn de cliënten niet volledig verdoofd op het moment dat ze bij Barbara in therapie gaan. Ze zijn bijvoorbeeld al afgekickt in een kliniek of zijn in ieder geval klaar om te stoppen met gebruik. Daardoor is het mogelijk om motiverende gesprekken te houden, patronen te ontdekken en bezig te gaan met de onderliggende oorzaken van de verslaving.

FACT versus reguliere gzz

Hoewel de verslavingszorg overlap heeft met de reguliere ggz, zijn er zeker verschillen. “Een belangrijk verschil is dat bij de FACT-teams er ook veel oog is voor psychosociale/maatschappelijke problemen. De huisbezoeken hebben voor mij een enorme meerwaarde, omdat het contact laagdrempelig is. Ook maken huisbezoeken het beeld completer: in een gesprekskamer kun je je anders voordoen. Daarnaast kan het angst bij een cliënt weghalen als ze mij in hun huis ontvangen. Dat is immers een veilige setting. Zo behandel ik mensen met straatvrees en/of sociale angst, en mensen die er lichamelijk slecht aan toe zijn. Eventueel kan ik thuis met ze aan de slag met exposure-oefeningen. Dat is niet mogelijk in de reguliere ggz.”

Er wordt in ieder geval weer gevoeld

“In de verslavingszorg kan elke dag anders lopen dan je van tevoren dacht. Het schakelen maakt het werk dynamisch en vraagt om een bepaalde mate van flexibiliteit. Denk aan een crisis of een terugval. Terugval hoort nu eenmaal bij verslaving, het is aan de cliënt en de behandelaar hoe daarmee om wordt gegaan. Wat ik wel heb geleerd is dat je met kleine stapjes tevreden moet zijn. Veel mensen willen meteen en veel verandering zien. Zo gaat het nu eenmaal niet. De verslaving heeft jaren gehad om te manifesteren, dat maak je niet in één dag ongedaan. Ook moet je de schaamte en het schuldgevoel na jarenlang gebruik adresseren. Mensen verdoven zich niet meer, dus gaan ook meer voelen. Dat kunnen lastige gevoelens zijn, maar dat is een goed teken: er wordt in ieder geval weer gevoeld.”